Database - ZOEKEN
Genre / Voornaam / Achternaam / Levensdata / Titel / Brongegevens Bundel / Eerste Uitgave / Brongegevens Monographie | Figuren mythologisch-literair / Figuren historisch / Plaatsen mythologisch / Plaatsen historisch / Abstrakta / Gebeurtenissen / Antieke Auteurs / Antieke Geschriften | Gebied / Cultuurgebied / Opmerkingen / Citaten | van: |
---|---|---|---|
Lyrik(Remy De Muynck) Saint-Rémy1913-1979 Polumetis 1972 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
Lyrik(Remy De Muynck) Saint-Rémy1913-1979 Diep in de velden van Elysium 1977 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikClem Schouwenaars1932-1993 Albasten amforen 1956 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikClem Schouwenaars1932-1993 De vrouwelijke verzen 1962 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikAmédée Suenaert1925-2009 Ornis 1960 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikMaurice Trippas1928-2020 De zang van Phaoon 1955 | Sappho | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her |
LyrikAugust Vercauteren1920-? Pygmalion 1947 | inspiratie van Herman Teirlinck, Mijnheer Serjanszoon | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her |
LyrikBalthazar Verhagen1881-1950 Storm, 30 september 1911 1913 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
DramaRafaël Verhulst1866-1941 Telamon en Myrtalee 1909 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
DramaFrans Verreyt1916-2003 Orpheus 1957 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
DramaEduard Veterman1901-1947 Lysistrata 1946 1947 | Aristophanes, Lysistrata | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her |
LyrikUrbain Voorde, Van de1893-1966 Het donker vuur 1928 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikUrbain Voorde, Van de1891-1966 De gelieven 1951 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikUrbain Voorde, Van de1891-1966 De metamorfosen 1956 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
LyrikKarel Winter, De1889-1953 Pan 1922/1925/1930/1954 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
ProsaDirk Witte, De1934-1970 Het glazen huis geluk 1964 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
ProsaDirk Witte, De1934-1970 De vlucht naar Mytilene 1965 | A. Welkenhuysen (1980). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen II”, Hermeneus 52, 263-270 | Her | |
ProsaJ.T. Barendregt, van1916-? Karakters van en naar Theophrastus 1977 | R.Th. van der Paardt & O.J. Schrier (1981). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen III”, Hermeneus 53, 216-221 | Her | |
LyrikF.L. Bastet1926-2008 Aan Kroisos | R.Th. van der Paardt & O.J. Schrier (1981). “Klassieke motieven in de Nederlandse letterkunde – Aanvullingen III”, Hermeneus 53, 216-221 | Her | |
LyrikPierre Kemp1886-1967 Bladerenreuk P.K. Transitieven en immobielen, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 7 | Dronkenschap, poëzie als plant | Poëtologie Gedichten worden vaak vergeleken met bepaalde planten, hetgeen terug te leiden is tot Meleagers Krans, cf. AP 4.1 | MJR |
LyrikPierre Kemp1886-1967 Gang P.K. Transitieven en immobielen, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 13 | poëzie als beweging te voet (?), vogels, bloemen, zon | Poëtologie Dichters bewegen zich vaak te voet voort, op basis van spel tussen voet en versvoet. Vgl. Tib. 1.2.20; Ov. Tr. 1.1.16; 1.10.23; A.P. 12.53.5-6
Vogels en bloemen zijn veel terugkomende poëtologische beelden | MJR |
LyrikPierre Kemp1886-1967 Graan P.K. Transitieven en immobielen, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 16 | Voet als versvoet, wijn, nacht | Poëtologie De nacht is vaak het moment van poëtische productie. | MJR |
LyrikPierre Kemp1886-1967 Pastoralen P.K. Transitieven en immobielen, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 30 | Platteland boven stad | Verheerlijking van het platteland, tegenover de stad, is van alle tijden. Vgl. bijv. Theoc. Id. 7. | MJR |
LyrikPierre Kemp1886-1967 Vallende bloesems P.K. Transitieven en immobielen, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 40 | zon (?) Bloemenkrans | Poëtologie De zonnegod, Apollo, is tevens poëziegod. | MJR |
LyrikDirk Zijlstra1907-1985 Strophen E.v.d.S. Cadans, Rijswijk: A.A.M. Stols 1940, 5-9 | "Clo" Clio? (6) wijn (5, 6), poëzie als medicijn? (5), vluchtende nymph (? 7), wassen (7), honing (7), nachtegaal (8) Odyssee (6) | Poëtologie Mythologie Poëzie wordt vaak voorgesteld als medicijn, cf. Theocr. Idyl. 11, Catull. 68.7-8
Gepubliceerd onder het pseudoniem Eric van der Steen Vgl. Hom. Od. 6.85ff. | MJR |